Nieuwsgierig naar familietalent begint Benedicte Hermans-Schweitzer begin jaren ’90 te aquarelleren.

Ze merkt op dat de eerste cursus een leuk begin, maar niet diepgaand genoeg is. Zo ontstaat een zoektocht in het schilderen, om uit te komen bij een stijl die bij haar persoonlijkheid past. Aquarel maakt plaats voor acryl- en olieverf en langzamerhand ontwikkelt zich een eigen handschrift.

Benedicte maakt in haar hoofd een soort foto van de schoonheid waardoor ze getroffen wordt. Dit kan van alles zijn: een landschap, stilleven of mensen. Er ontstaat een globaal idee, een beeld, dat ze intuïtief uitwerkt.

Een beeldelement dat Benedicte van nature mijdt zijn strakke lijnen. “Lijnen kunnen teveel inkaderen en inperken, waardoor mijn vrijheid weg valt.” Ze werkt dan ook met kleurvlakken en toetsen, een dikke gelaagdheid van verf, papier, textiel, zand, lak en zaagsel. Benedicte wordt onder andere geïnspireerd door Anselm Kiefer en Tjebbe Beekman. Het stoere en gedurfde in dat soort werken spreekt haar aan.

In een zeer hoog tempo wordt een spel van kleur en compositie gespeeld op één of liefst meerdere doeken tegelijk. Het ambachtelijke, fysieke werken geeft juist de voldoening wat haar expressiviteit ten goede komt.

 

Rotterdam, 2011